Kunst en Vliegwerk - Home Web view Remedios Varo - Harige Beweging Jan Van Kessel - Studie van insecten,

  • View
    0

  • Download
    0

Embed Size (px)

Text of Kunst en Vliegwerk - Home Web view Remedios Varo - Harige Beweging Jan Van Kessel - Studie van...

Roy Lichtenstein - Blam

René Magritte - Het heden

Georges Braque - De vogels

1. Je ziet een vliegtuig met 2 vleugels.

2. Op het vliegtuig staat het cijfer 3.

3. Je ziet vuur.

4. Er staat minstens 1 ster op de prent.

5. Er staat een woord op het schilderij.

6. Het vliegtuig vliegt ondersteboven.

1. Op de prent staat een vogel.

2. Bij zijn poten groeien planten.

3. De vogel draagt een jas.

4. De jas heeft juist 1 knoop.

5. Op het schilderij zie je 3 balletjes.

6. Er zijn ook bergen.

1. Op de prent staan twee vogels.

2. Je ziet drie sterren.

3. Op het schilderij staat de maan.

4. Je ziet de ogen van de vogels niet.

5. Onderaan staat iets geschreven.

6. De vogels raken elkaar.

Sara Fanelli - Zonder naam

Remedios Varo - Harige Beweging

Jan Van Kessel - Studie van insecten, bloemen en vlinders

1. Op de prent staat een meisje.

2. Het meisje draagt een kleedje.

3. In haar hand heeft ze een tak.

4. De tak heeft blaadjes.

5. Op de tak zitten 3 vogels.

6. Je ziet zeker 3 ogen.

1. Op het schilderij staan mannen.

2. Boven hun hoofden hangen wolken.

3. Alle mannen hebben een lange baard.

4. Eén man heeft ook een lange snor.

5. Er staat ook een vrouw op het schilderij.

6. Er vliegen vogels.

1. Op het schilderij ligt een takje.

2. Aan de tak hangen minstens 5 bessen.

3. Je ziet meer dan 4 dieren.

4. Drie daarvan zijn vlinders.

5. Minstens 1 vlinder heeft vlekken.

6. Op de prent staan voelsprieten.

Sebastian Ospina - Underball Experimental

Max Ernst

Vogels en ook vogels, visslang en vogelverschrikker

Carl Spitzweg - De vlinderjager

1. Je ziet een kooi.

2. In de kooi zit een ballon.

3. Achteraan vliegen nog meer ballonnen.

4. Je ziet ook vogels.

5. Eén van de vogels zit op de kooi.

6. Eén van de vogels heeft zijn bek open.

1. In het midden staan twee vogels.

2. De vogels hebben kleren aan.

3. In hun bekken zie je hun tong.

4. In de lucht zijn een fles, vis en ballon.

5. Voor op het schilderij is een slang.

6. Je ziet juist 2 handen.

1. Op het schilderij staan bomen.

2. Je ziet 2 vlinders.

3. Eén vlinder zit op een tak.

4. De andere vlinder vliegt.

5. Er staat ook een man.

6. De man heeft een net vast.

Ohara Koson - Kraai op besneeuwde tak

Luke Chueh - Raket

Frida Kahlo - Zelfportret / De tijd vliegt

1. Op het schilderij staat een vogel.

2. Je ziet maar 1 oog.

3. Aan elke poot zijn 3 tenen.

4. De vogel zit op een tak.

5. Er ligt sneeuw op de tak.

6. Er zijn ook 3 vliegende vogels.

1. Je ziet een vogel.

2. Op zijn rug zit een vuurpijl.

3. Aan de pijl hangt een touw, de lont.

4. De vogel draagt een bril.

5. Op zijn hoofd zit een kam.

6. Je ziet maar één vleugel.

1. Op het schilderij staat een vrouw.

2. De vrouw heeft dikke wenkbrauwen.

3. Ze draagt een halsketting.

4. Je ziet de benen van de vrouw niet.

5. Boven haar hoofd zie je een vliegtuig.

6. In de kamer staat ook een wekker.